12. Jozef (Yusuf)
Aantal verzen: 111 geopenbaard in Mekka
|
 |
| 1. Alif Laam Raa. Dit zijn de verzen van het Boek, dat alles verklaart: |
|
Alif-lam-ra tilka ayatu alkitabi almubeenu
|
| |
| 2. Wij hebben het geopenbaard - als de Arabische Koran- opdat gij moogt begrijpen. |
|
Inna anzalnahu qur-anan AAarabiyyan laAAallakum taAAqiloona
|
| |
| 3. Wij verhalen u het schoonste verhaal door u deze Koran te openbaren, ofschoon gij voorheen onwetend waart. |
|
Nahnu naqussu AAalayka ahsana alqasasi bima awhayna ilayka hatha alqur-ana wa-in kunta min qablihi lamina alghafileena
|
| |
| 4. Toen Jozef tot zijn vader zeide: "O mijn vader, (in mijn droom) zag ik elf sterren en de zon en de maan en ik zag ze zich voor mij nederwerpen." |
|
Ith qala yoosufu li-abeehi ya abati innee raaytu ahada AAashara kawkaban waalshshamsa waalqamara raaytuhum lee sajideena
|
| |
| 5. Hij zeide: "O, mijn zoon, verhaal uw broedars uw droom niet, anders zullen zij plannen tegen u smeden, want Satan is een openlijke vijand der mensen." |
|
Qala ya bunayya la taqsus ru/yaka AAala ikhwatika fayakeedoo laka kaydan inna alshshaytana lil-insani AAaduwwun mubeenun
|
| |
| 6. "En zo zal uw Heer u verkiezen en u de verklaring der dingen onderwijzen en Zijn gunst aan u en aan de familie van Jacob vervohnaken, zoals Hij die voordien aan twee uwer voorvaderen, Abraham en Izaak had voltooid. Voorwaar, uw Heer is Alwetend, Alwijs |
|
Wakathalika yajtabeeka rabbuka wayuAAallimuka min ta/weeli al-ahadeethi wayutimmu niAAmatahu AAalayka waAAala ali yaAAqooba kama atammaha AAala abawayka min qablu ibraheema wa-ishaqa inna rabbaka AAaleemun hakeemun
|
| |
| 7. Voorzeker, er zijn voor de zoekers (naar waarheid) tekenen in (de geschiedenis van) Jozef en zijn broeders. |
|
Laqad kana fee yoosufa wa-ikhwatihi ayatun lilssa-ileena
|
| |
| 8. Toen zij zeiden: "Voorwaar, Jozef en zijn broeder zijn onze vader liever dan wij, ofschoon wij een sterke groep zijn. Voorzeker, onze vader dwaalt openlijk." |
|
Ith qaloo layoosufu waakhoohu ahabbu ila abeena minna wanahnu AAusbatun inna abana lafee dalalin mubeenin
|
| |
| 9. "Doodt Jozef of verdrijft hem naar een (ver) land, zodat uw vaders gunst uitsluitend voor u moge zijn, waarna gij een rechtvaardig volk zult worden." |
|
Oqtuloo yoosufa awi itrahoohu ardan yakhlu lakum wajhu abeekum watakoonoo min baAAdihi qawman saliheena
|
| |
| 10. Eén hunner zeide: "Doodt Jozef niet, maar als gij iets moet doen werpt hem dan op de bodem van een diepe put; iemand uit een karavaan zal hem opnemen." |
|
Qala qa-ilun minhum la taqtuloo yoosufa waalqoohu fee ghayabati aljubbi yaltaqithu baAAdu alssayyarati in kuntum faAAileena
|
| |
| 11. Zij zeiden: "O, onze vader, waarom vertrouwt gij ons niet aangaande Jozef, hoewel wij hem welgezind zijn?" |
|
Qaloo ya abana ma laka la ta/manna AAala yoosufa wa-inna lahu lanasihoona
|
| |
| 12. "Zend hem morgen met ons mede, opdat hij zich moge vermaken en spelen en wij zullen voorzeker zijn bewakers zijn." |
|
Arsilhu maAAana ghadan yartaAA wayalAAab wa-inna lahu lahafithoona
|
| |
| 13. Hij zeide: "Het verdriet mij, dat gij hem zoudt medenemen en ik vrees, dat de wolf hem zal verslinden terwijl gij niet op hem let." |
|
Qala innee layahzununee an thathhaboo bihi waakhafu an ya/kulahu alththi/bu waantum AAanhu ghafiloona
|
| |
| 14. Zij zeiden: "Indien de wolf hem zou verslinden terwijl wij een sterke groep vormen, dan zijn wij inderdaad de verliezers." |
|
Qaloo la-in akalahu alththi/bu wanahnu AAusbatun inna ithan lakhasiroona
|
| |
| 15. Toen zij hem medenamen, kwamen zij overeen hem op de bodem van een diepe put neer te laten en Wij zonden hem een openbaring: "Gij; zult hun van deze zaak vertellen zonder dat zij het beseffen." |
|
Falamma thahaboo bihi waajmaAAoo an yajAAaloohu fee ghayabati aljubbi waawhayna ilayhi latunabi-annahum bi-amrihim hatha wahum la yashAAuroona
|
| |
| 16. 's Avonds kwamen zij wenend tot hun vader. |
|
Wajaoo abahum AAishaan yabkoona
|
| |
| 17. En zeiden: "O, onze vader, wij hielden een wedloop en lieten Jozef met onze goederen achter en de wolf verslond hem; maar zelfs al spreken wij de waarheid, zult gij ons niet geloven." |
|
Qaloo ya abana inna thahabna nastabiqu watarakna yoosufa AAinda mataAAina faakalahu alththi/bu wama anta bimu/minin lana walaw kunna sadiqeena
|
| |
| 18. En zij brachten zijn hemd met bloed, dat niet van hem was. Hij (Jacob) zeide: "Neen, gij hebt de zaak veel te licht opgevat. Daarom is geduld passend. En het is Allah Wiens hulp dient te worden gezocht over hetgeen gij beweert." |
|
Wajaoo AAala qameesihi bidamin kathibin qala bal sawwalat lakum anfusukum amran fasabrun jameelun waAllahu almustaAAanu AAala ma tasifoona
|
| |
| 19. Er kwam een karavaan langs en deze zond een waterputter, die zijn emmer nederliet. "O, goed nieuws," zeide hij. "Hier is een jongeling." En zij verborgen hem als een stuk koopwaar en Allah wist goed, wat zij deden. |
|
Wajaat sayyaratun faarsaloo waridahum faadla dalwahu qala ya bushra hatha ghulamun waasarroohu bidaAAatan waAllahu AAaleemun bima yaAAmaloona
|
| |
| 20. Zij verkochten hem voor een geringe prijs, een paar zilverstukken, want zij waren onverschillig jegens hem. |
|
Washarawhu bithamanin bakhsin darahima maAAdoodatin wakanoo feehi mina alzzahideena
|
| |
| 21. En de Egyptenaar, die hem kocht, zeide tot zijn vrouw: "Maak zijn verblijf behoorlijk. Het is waarschijnlijk dat hij ons van nut kan zijn, of dat wij hem als zoon aannemen." En zo vestigden Wij Jozef in het land, opdat Wij hem in het verklaren der din |
|
Waqala allathee ishtarahu min misra liimraatihi akrimee mathwahu AAasa an yanfaAAana aw nattakhithahu waladan wakathalika makkanna liyoosufa fee al-ardi walinuAAallimahu min ta/weeli al-ahadeethi waAllahu ghalibun AAala amrihi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona
|
| |
| 22. Toen hij volwassen was, schonken Wij hem oordeel en kennis; zo belonen Wij de goeden. |
|
Walamma balagha ashuddahu ataynahuhukman waAAilman wakathalika najzee almuhsineena
|
| |
| 23. En zij, in wier huis hij was, zocht hem (tegen zijn wil) te verleiden. Zij grendelde de deuren en zeide: "Kom nu." Hij antwoordde: "Dat verhoede Allah, hij is mijn heer. Hij heeft mijn verblijf waardig gemaakt. Voorwaar, de boosdoeners slagen nooit." |
|
Warawadat-hu allatee huwa fee baytiha AAan nafsihi waghallaqati al-abwaba waqalat hayta laka qala maAAatha Allahi innahu rabbee ahsana mathwaya innahu la yuflihu alththalimoona
|
| |
| 24. En zij nam een besluit betreffende hem en hij nam een besluit betreffende haar. Als hij geen duidelijk teken van zijn Heer had gezien, (kon hij zo'n vastberadenheid niet hebben getoond). Zo kwam het dat Wij het kwaad en de onbetamelijkheid van hem moc |
|
Walaqad hammat bihi wahamma biha lawla an raa burhana rabbihi kathalika linasrifa AAanhu alssoo-a waalfahshaa innahu min AAibadina almukhlaseena
|
| |
| 25. En zij holden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd van achteren en zij ontmoetten haar echtgenoot aan de deur. Zij zeide: "Wat zal de straf zijn voor iemand die kwade bedoelingen had met uw vrouw, anders dan gevangenneming of een pijnlijke ka |
|
Waistabaqa albaba waqaddat qameesahu min duburin waalfaya sayyidaha lada albabi qalat ma jazao man arada bi-ahlika soo-an illa an yusjana aw AAathabun aleemun
|
| |
| 26. Hij (Jozef) zeide: "Zij is het die mij tegen mijn wil zocht te verleiden." En een familielid van haar getuigde: "Als zijn hemd van voren is gescheurd, heeft zij de waarheid gesproken en behoort hij tot de leugenaars, |
|
Qala hiya rawadatnee AAan nafsee washahida shahidun min ahliha in kana qameesuhu qudda min qubulin fasadaqat wahuwa mina alkathibeena
|
| |
| 27. Maar als zijn hemd van achteren is gescheurd, heeft zij gelogen en behoort hij tot de waarachtigen." |
|
Wa-in kana qameesuhu qudda min duburin fakathabat wahuwa mina alssadiqeena
|
| |
| 28. Toen hij (haar man) zag dat zijn hemd van achteren was gescheurd, zeide hij: "Dit is zeker een list van u, vrouwen. Uw list is inderdaad sterk." |
|
Falamma raa qameesahu qudda min duburin qala innahu min kaydikunna inna kaydakunna AAatheemun
|
| |
| 29. "O, Jozef, wend u hiervan af en gij (vrouw), vraag vergiffenis voor uw zonde. Gij behoort zeker tot de schuldigen." |
|
Yoosufu aAArid AAan hatha waistaghfiree lithanbiki innaki kunti mina alkhati-eena
|
| |
| 30. En de vrouwen in de stad zeiden: "De vrouw van Aziez zoekt haar slaaf tegen zijn wil te verleiden. Hij heeft haar met verliefdheid vervuld. Wij zien haar inderdaad klaarblijkelijk dwalen." |
|
Waqala niswatun fee almadeenati imraatu alAAazeezi turawidu fataha AAan nafsihi qad shaghafahahubban inna lanaraha fee dalalin mubeenin
|
| |
| 31. En toen zij van hun plannen hoorde, nodigde zij haar uit en bereidde haar een maaltijd en gaf ieder een mes en zeide dan (tot Jozef): "Ga naar hen toe." En toen zij hem zagen achtten zij hem grotelijks en zij sneden zich in de handen en zeiden: "Allah |
|
Falamma samiAAat bimakrihinna arsalat ilayhinna waaAAtadat lahunna muttakaan waatat kulla wahidatin minhunna sikkeenan waqalati okhruj AAalayhinna falamma raaynahu akbarnahu waqattaAAna aydiyahunna waqulna hasha lillahi ma hatha basharan in hatha illa malakun kareemun
|
| |
| 32. Zij zeide: "Dit is hij nu over wie gij mij beschuldigdet, ik zocht hem werkelijk tegen zijn wil te verleiden, maar hij redde zich. En als hij nu niet doet wat ik hem verzoek, zal hij zeker gevangen genomen en vernederd worden." |
|
Qalat fathalikunna allathee lumtunnanee feehi walaqad rawadtuhu AAan nafsihi faistAAsama wala-in lam yafAAal ma amuruhu layusjananna walayakoonan mina alssaghireena
|
| |
| 33. Hij (Jozef) zeide: "O mijn Heer, ik zou de gevangenis verkiezen boven hetgeen waartoe zij mij roepen; tenzij Gij haar list van mij afwendt zal ik mij tot haar neigen en tot de onwetenden behoren." |
|
Qala rabbi alssijnu ahabbu ilayya mimma yadAAoonanee ilayhi wa-illa tasrif AAannee kaydahunna asbu ilayhinna waakun mina aljahileena
|
| |
| 34. Daarom verhoorde zijn Heer zijn gebed en wendde hun list van hem af. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende. |
|
Faistajaba lahu rabbuhu fasarafa AAanhu kaydahunna innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu
|
| |
| 35. Dus kwam het hun (mannen) voor, nadat zij de tekenen van zijn onschuld hadden gezien, dat zij hem voor een tijd gevangen moesten nemen. |
|
Thumma bada lahum min baAAdi ma raawoo al-ayati layasjununnahu hatta heenin
|
| |
| 36. En er gingen met hem twee jonge mannen de gevangenis binnen. Een hunner zeide: "Ik zag mij wijn persen." En de andere zeide: "Ik zag mij in een droom brood op mijn hoofd dragen waarvan de vogelen aten. Geef ons de verklaring er van, voorzeker, wij zie |
|
Wadakhala maAAahu alssijna fatayani qala ahaduhuma innee aranee aAAsiru khamran waqala al-akharu innee aranee ahmilu fawqa ra/see khubzan ta/kulu alttayru minhu nabbi/na bita/weelihi inna naraka mina almuhsineena
|
| |
| 37. Hij antwoordde: "Het voedsel, dat u wordt gegeven, zal niet tot u komen, voordat ik u de verklaring er van heb gegeven. Dit is naar aanleiding van hetgeen mijn Heer mij heeft onderwezen. Ik heb van de godsdienst van het volk dat niet in Allah en in he |
|
Qala la ya/teekuma taAAamun turzaqanihi illa nabba/tukuma bita/weelihi qabla an ya/tiyakuma thalikuma mimma AAallamanee rabbee innee taraktu millata qawmin la yu/minoona biAllahi wahum bial-akhirati hum kafiroona
|
| |
| 38. "En ik volg de godsdienst van mijn vaderen, Abraham, Izaak en Jacob. Het betaamt ons niet dat wij iets met Allah vereenzelvigen. Dit behoort tot Allah's genade voor ons en de mensheid, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar." |
|
WaittabaAAtu millata aba-ee ibraheema wa-ishaqa wayaAAqooba ma kana lana an nushrika biAllahi min shay-in thalika min fadli Allahi AAalayna waAAala alnnasi walakinna akthara alnnasi la yashkuroona
|
| |
| 39. "O, mijn twee medegevangenen, zijn verscheidene Heren beter of is Allah, de Ene, de Opperste beter?" |
|
Ya sahibayi alssijni aarbabun mutafarriqoona khayrun ami Allahu alwahidu alqahharu
|
| |
| 40. "Gij aanbidt naast Allah niets, dan ijdele namen die gij hebt uitgedacht, gij en uw vaderen; Allah heeft daar geen gezag voor nedergezonden. De beslissing berust bij Allah alleen. Hij heeft bevolen dat gij naast Hem niets zult aanbidden. Dit is de jui |
|
Ma taAAbudoona min doonihi illa asmaan sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin ini alhukmu illa lillahi amara alla taAAbudoo illa iyyahu thalika alddeenu alqayyimu walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona
|
| |
| 41. "O mijn twee medegevangenen, wat één uwer betreft, hij zal wijn voor zijn Heer schenken en wat de ander betreft, hij zal worden gekruisigd, zodat de vogels van zijn hoofd zullen eten. De zaak waarover gij hebt gevraagd, is besloten." |
|
Ya sahibayi alssijni amma ahadukuma fayasqee rabbahu khamran waamma al-akharu fayuslabu fata/kulu alttayru min ra/sihi qudiya al-amru allathee feehi tastaftiyani
|
| |
| 42. En hij zeide tot degene van hen, van wie hij wist dat hij bevrijd zou worden: "Vermeld mij bij uw heer." Maar Satan deed hem vergeten het aan zijn heer te zeggen daarom bleef hij voor enige jaren in de gevangenis. |
|
Waqala lillathee thanna annahu najin minhuma othkurnee AAinda rabbika faansahu alshshaytanu thikra rabbihi falabitha fee alssijni bidAAa sineena
|
| |
| 43. En de koring (van Egypte) zeide: "Ik zag zeven vette koeien, die door zeven magere koeien werden verslonden en zeven groene korenaren en zeven verwelkte aren. O gij leiders, legt mij de betekenis van mijn droom uit als gij een droom kunt verklaren." |
|
Waqala almaliku innee ara sabAAa baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAa sunbulatin khudrin waokhara yabisatin ya ayyuha almalao aftoonee fee ru/yaya in kuntum lilrru/ya taAAburoona
|
| |
| 44. Zij antwoordden: "Het zijn verwarde dromen en wij kennen de verklaring van zulke dromen niet." |
|
Qaloo adghathu ahlamin wama nahnu bita/weeli al-ahlami biAAalimeena
|
| |
| 45. En degene van de twee die bevrijd was, herinnerde zich na enige tijd Jozef, en zeide toen: "Ik zal u de verklaring er van laten weten, zend mij daarom." |
|
Waqala allathee naja minhuma waiddakara baAAda ommatin ana onabbi-okum bita/weelihi faarsilooni
|
| |
| 46. "O, Jozef! gij man der waarheid, leg ons de betekenis uit van zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden en van zeven groene korenaren en andere verwelkte aren opdat ik tot het volk moge terugkeren, zodat zij mogen weten." |
|
Yoosufu ayyuha alssiddeequ aftina fee sabAAi baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAi sunbulatin khudrin waokhara yabisatin laAAallee arjiAAu ila alnnasi laAAallahum yaAAlamoona
|
| |
| 47. Hij antwoordde: "Gij zult zeven jaren lang voortdurend zaaien en wat gij maait in de aar laten, met uitzondering van een weinig, dat gij zult eten." |
|
Qala tazraAAoona sabAAa sineena daaban famahasadtum fatharoohu fee sunbulihi illa qaleelan mimma ta/kuloona
|
| |
| 48. "Dan zullen er nadien zeven harde jaren komen, die al hetgeen gij van te voren hebt opgeslagen zullen verteren, met uitzondering van een weinig dat gij zult bewaren." |
|
Thumma ya/tee min baAAdi thalika sabAAun shidadun ya/kulna ma qaddamtum lahunna illa qaleelan mimma tuhsinoona
|
| |
| 49. "Dan zal er nadien een jaar komen, waarin de mensen zullen worden geholpen en waarin zij (vruchten) zullen persen." |
|
Thumma ya/tee min baAAdi thalika AAamun feehi yughathu alnnasu wafeehi yaAAsiroona
|
| |
| 50. En de koning zeide: "Brengt hem tot mij." Maar toen de boodschapper tot hem (Jozef) kwam, zeide hij: "Ga terug naar uw heer en vraag hem hoe het met de vrouwen is gesteld die zich in de handen sneden, voorzeker mijn Heer kent haar sluwe plan goed." |
|
Waqala almaliku i/toonee bihi falamma jaahu alrrasoolu qala irjiAA ila rabbika fais-alhu ma balu alnniswati allatee qattaAAna aydiyahunna inna rabbee bikaydihinna AAaleemun
|
| |
| 51. Hij, (de koning) zeide tot de vrouwen: "Wat was het geval met u toen gij Jozef tegen zijn wil zocht te verleiden?" Zij zeiden: "Allah zij verheerlijkt. Wij hebben geen kwaad van hem geweten." De vrouw van de Aziez zeide: "Nu is de waarheid aan het lic |
|
Qala ma khatbukunna ith rawadtunna yoosufa AAan nafsihi qulna hasha lillahi ma AAalimna AAalayhi min soo-in qalati imraatu alAAazeezi al-ana hashasa alhaqqu ana rawadtuhu AAan nafsihi wa-innahu lamina alssadiqeena
|
| |
| 52. "Dit is, opdat hij moge weten dat ik hem in zijn afwezigheid niet ontrouw was en dat Allah het plan van de ontrouwe mensen niet laat slagen." |
|
Thalika liyaAAlama annee lam akhunhu bialghaybi waanna Allaha la yahdee kayda alkha-ineena
|
| |
| 53. "En ik verklaar mijzelf niet vrij (van zwakheid) te zijn, want het menselijke, ik' spoort tot het kwade aan, uitgezonderd dat waarover mijn Heer barmhartigheid betoont. Voorzeker, mijn Heer is Vergevensgezind, Genadevol." |
|
Wama obarri-o nafsee inna alnnafsa laammaratun bialssoo-i illa ma rahima rabbee inna rabbee ghafoorun raheemun
|
| |
| 54. En de koning zeide: "Brengt hem bij mij, ik wil hem voor mijzelf houden." En toen hij tot hem (Jozef) had gesproken, zeide hij: "Gij zijt van deze dag af een man van positie en vertrouwen bij ons." |
|
Waqala almaliku i/toonee bihi astakhlishu linafsee falamma kallamahu qala innaka alyawma ladayna makeenun ameenun
|
| |
| 55. Hij antwoordde: "Stel mij aan over de schatten van het land want ik ben een deskundig bewaarder." |
|
Qala ijAAalnee AAala khaza-ini al-ardi innee hafeethun AAaleemun
|
| |
| 56. En zo vestigden Wij Jozef in het land. Hij vertoefde er in, waar hij ook wilde. Wij schenken Onze barmhartigheid aan wie Ons behaagt en Wij laten het loon Aer rechtvaardigen niet te gronde gaan. |
|
Wakathalika makanna liyoosufa fee al-ardi yatabawwao minha haythu yashao nuseebu birahmatina man nashao wala nudeeAAu ajra almuhsineena
|
| |
| 57. En het loon van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die geloven en God vrezen. |
|
Walaajru al-akhirati khayrun lillatheena amanoo wakanoo yattaqoona
|
| |
| 58. En Jozefs broeders kwamen en gingen bij hem binnen en hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet. |
|
Wajaa ikhwatu yoosufa fadakhaloo AAalayhi faAAarafahum wahum lahu munkiroona
|
| |
| 59. En toen hij hen van levensmiddelen had voorzien, zeide hij: "Brengt mij uw broeder van vaderskant. Ziet gij niet, dat ik u met volle maat geef en dat ik een goed gastheer ben?" |
|
Walamma jahhazahum bijahazihim qala i/toonee bi-akhin lakum min abeekum ala tarawna annee oofee alkayla waana khayru almunzileena
|
| |
| 60. "Maar indien gij hem niet tot mij brengt dan zal er van mij geen maat (koren) voor u zijn noch zult gij in mijn nabijheid komen." |
|
Fa-in lam ta/toonee bihi fala kayla lakum AAindee wala taqrabooni
|
| |
| 61. Zij antwoordden: "Wij zullen trachten zijn vader hiertoe over te halen, wij zullen het voorzeker kunnen doen." |
|
Qaloo sanurawidu AAanhu abahu wa-inna lafaAAiloona
|
| |
| 62. En hij (Jozef) zeide tot zijn dienaren: "Stopt hun geld in de zadeltassen, dat zij het mogen herkennen, wanneer zij tot hun familie terugkeren, opdat zij terug mogen komen." |
|
Waqala lifityanihi ijAAaloo bidaAAatahum fee rihalihim laAAallahum yaAArifoonaha itha inqalaboo ila ahlihim laAAallahum yarjiAAoona
|
| |
| 63. En toen zij tot hun vader terugkeerden, zeiden zij: "Onze vader, een (verdere) maat is ons ontzegd, zend daarom onze broeder met ons mede, opdat wij onze maat (koren) mogen verkrijgen en wij zullen zeker op hem passen." |
|
Falamma rajaAAoo ila abeehim qaloo ya abana muniAAa minna alkaylu faarsil maAAana akhana naktal wa-inna lahu lahafithoona
|
| |
| 64. Hij (Jacob) antwoordde: "Zal ik u hem toevertrouwen, zoals ik u voorheen zijn broeder toevertrouwde? Maar Allah is de beste Beschermer en Hij is de Genadigste der genadigen. |
|
Qala hal amanukum AAalayhi illa kama amintukum AAala akheehi min qablu faAllahu khayrun hafithan wahuwa arhamu alrrahimeena
|
| |
| 65. En toen zij hun reisgoederen openden, vonden zij hun geld aan hen teruggegeven. Zij riepen uit: "O, onze vader, wat kunnen wij meer wensen? Hier is ons geld aan ons teruggegeven. Wij zullen (nogmaals) koren voor onze familie halen en op onze broeder p |
|
Walamma fatahoo mataAAahum wajadoo bidaAAatahum ruddat ilayhim qaloo ya abana ma nabghee hathihi bidaAAatuna ruddat ilayna wanameeru ahlana wanahfathu akhana wanazdadu kayla baAAeerin thalika kaylun yaseerun
|
| |
| 66. Hij (Jacob) zeide: "Ik zal hem niet met u medezenden voordat gij mij een ernstige belofte aflegt in de naam van Allah, dat gij hem zeker tot mij zult brengen tenzij gij allen omsingeld zoudt worden." En toen zij de belofte hadden afgelegd, zeide hij: |
|
Qala lan orsilahu maAAakum hatta tu/tooni mawthiqan mina Allahi lata/tunnanee bihi illa an yuhata bikum falamma atawhu mawthiqahum qala Allahu AAala ma naqoolu wakeelun
|
| |
| 67. En hij zeide: "O mijn zonen, gaat niet door één poort binnen maar gaat door verschillende poorten binnen; en ik kan u in niets tegen Allah helpen. De beslissing berust alleen bij Allah. In Hem stel ik mijn vertrouwen en laat allen die willen vertrouwe |
|
Waqala ya baniyya la tadkhuloo min babin wahidin waodkhuloo min abwabin mutafarriqatin wama oghnee AAankum mina Allahi min shay-in ini alhukmu illa lillahi AAalayhi tawakkaltu waAAalayhi falyatawakkali almutawakkiloona
|
| |
| 68. Maar toen zij (de stad) binnen gingen zoals hun vader hen had bevolen, kon hen dit tegen Allah toch niets baten; het was slechts dat Jacob zijn zin gedaan kreeg, want hij had voorzeker grote kennis, omdat Wij hem hadden onderwezen, maar de meeste mens |
|
Walamma dakhaloo min haythu amarahum aboohum ma kana yughnee AAanhum mina Allahi min shay-in illa hajatan fee nafsi yaAAqooba qadaha wa-innahu lathoo AAilmin lima AAallamnahu walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona
|
| |
| 69. En toen zij Jozef bezochten, huisvestte deze zijn broeder bij zich. En hij zeide: "Ik ben uw broeder, treur daarom niet over hetgeen zij hebben gedaan." |
|
Walamma dakhaloo AAala yoosufa awa ilayhi akhahu qala innee ana akhooka fala tabta-is bima kanoo yaAAmaloona
|
| |
| 70. En toen hij hen van hun provisie had voorzien, legde hij een drinkbeker in zijn broeders zadeltas. Toen riep een omroeper: "O, karavaan, gij zijt waarlijk dieven." |
|
Falamma jahhazahum bijahazihim jaAAala alssiqayata fee rahli akheehi thumma aththana mu-aththinun ayyatuha alAAeeru innakum lasariqoona
|
| |
| 71. Zij vroegen, zich tot hem wendend: "Wat mist gij?" |
|
Qaloo waaqbaloo AAalayhim matha tafqidoona
|
| |
| 72. Men antwoordde: "Wij missen des konings maatkop en wie hem brengt zal een kameellast koren ontvangen en ik ben er borg voor." |
|
Qaloo nafqidu suwaAAa almaliki waliman jaa bihi himlu baAAeerin waana bihi zaAAeemun
|
| |
| 73. Zij antwoordden: "Bij Allah, gij weet goed, dat wij niet kwamen om slecht in het land te handelen en wij zijn geen dieven." |
|
Qaloo taAllahi laqad AAalimtum ma ji/na linufsida fee al-ardi wama kunna sariqeena
|
| |
| 74. Zij (de Egyptenaren) zeiden: "Wat zal er dan de straf voor zijn als gij leugenaars zijt?" |
|
Qaloo fama jazaohu in kuntum kathibeena
|
| |
| 75. Zij antwoordden: "De straf er voor zal zijn: hij, in wiens zadeltas ze wordt gevonden zal zelf de boete er voor zijn. Zo straffen wij de boosdoeners." |
|
Qaloo jazaohu man wujida fee rahlihi fahuwa jazaohu kathalika najzee alththalimeena
|
| |
| 76. Daarna begon hij met (het onderzoek van) hun tassen alvorens de tas van zijn broeder (te onderzoeken); dan nam men hem (drinkbeker) uit zijn broeders tas. Zo maakten Wij plannen voor Jozef. Hij kon zijn broeder volgens de wet van de koning (van Egypte |
|
Fabadaa bi-awAAiyatihim qabla wiAAa-i akheehi thumma istakhrajaha min wiAAa-i akheehi kathalika kidna liyoosufa ma kana liya/khutha akhahu fee deeni almaliki illa an yashaa Allahu narfaAAu darajatin man nashao wafawqa kulli thee AAilmin AAaleemun
|
| |
| 77. Zij (zijn broeders) zeiden: "Als deze heeft gestolen, had zijn broeder voorheen ook diefstal gepleegd." Maar Jozef hield het in zijn hart geheim en onthulde het hun niet. Hij zeide: "Gij verkeert in een slechte toestand. Allah weet het beste wat gij b |
|
Qaloo in yasriq faqad saraqa akhun lahu min qablu faasarraha yoosufu fee nafsihi walam yubdiha lahum qala antum sharrun makanan waAllahu aAAlamu bima tasifoona
|
| |
| 78. Zij zeiden: "O Aziez, hij heeft een zeer oude vader, neem daarom één onzer in zijn plaats, want wij zien dat gij tot degenen behoort die goed doen." |
|
Qaloo ya ayyuha alAAazeezu inna lahu aban shaykhan kabeeran fakhuth ahadana makanahu inna naraka mina almuhsineena
|
| |
| 79. Hij (Jozef) zeide: "Allah verhoede, dat wij iemand anders dan hem zouden nemen bij wie wij ons eigendom vonden; want dan zouden wij zeker onrechtvaardig zijn." |
|
Qala maAAatha Allahi an na/khutha illa man wajadna mataAAana AAindahu inna ithan lathalimoona
|
| |
| 80. En toen zij wanhoopten trokken zij zich terug om in afzondering te beraadslagen. De oudste zeide: "Weet gij niet, dat uw vader een plechtige belofte in de naam van Allah van u heeft genomen en hoe gij voorheen in uw plicht tegenover Jozef hebt gefaald |
|
Falamma istay-asoo minhu khalasoo najiyyan qala kabeeruhum alam taAAlamoo anna abakum qad akhatha AAalaykum mawthiqan mina Allahi wamin qablu ma farrattum fee yoosufa falan abraha al-arda hatta ya/thana lee abee aw yahkuma Allahu lee wahuwa khayru alhakimeena
|
| |
| 81. "Keert gij tot uw vader terug en zegt: 'Onze vader uw zoon heeft gestolen en wij hebben alleen hetgeen wij wisten vermeld en wij konden waarlijk over het ongeziene niet waken.' |
|
IrjiAAoo ila abeekum faqooloo ya abana inna ibnaka saraqa wama shahidna illa bima AAalimna wama kunna lilghaybi hafitheena
|
| |
| 82. 'En vraag het volk der stad waarin wij waren en de karavaan waarmede wij reisden en wij spreken voorzeker de waarheid.'" |
|
Wais-ali alqaryata allatee kunna feeha waalAAeera allatee aqbalna feeha wa-inna lasadiqoona
|
| |
| 83. Hij (hun vader) zeide: "Neen, uw ziel heeft een groot iets voor u gering gemaakt. Daarom is geduld passend. Het is mogelijk, dat Allah hen allen te zamen tot mij zal brengen; waarlijk Hij is de Alwetende, de Alwijze." |
|
Qala bal sawwalat lakum anfusukum amran fasabrun jameelun AAasa Allahu an ya/tiyanee bihim jameeAAan innahu huwa alAAaleemu alhakeemu
|
| |
| 84. En hij wendde zich van hen af en zeide: "O ik heb verdriet over Jozef." En zijn ogen werden gevuld met tranen van smart doch hij bedwong zich. |
|
Watawalla AAanhum waqala ya asafa AAala yoosufa waibyaddat AAaynahu mina alhuzni fahuwa katheemun
|
| |
| 85. Zij zeiden: "Bij Allah, gij zult niet ophouden over Jozef te praten, totdat gij zijt weggekwijnd of totdat gij te gronde gaat." |
|
Qaloo taAllahi taftao tathkuru yoosufa hatta takoona haradan aw takoona mina alhalikeena
|
| |
| 86. Hij antwoordde: "Ik klaag alleen over mijn zorg en verdriet tot Allah en ik weet van Allah, wat gij niet weet." |
|
Qala innama ashkoo baththee wahuznee ila Allahi waaAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona
|
| |
| 87. "O mijn zonen, gaat en zoekt naar Jozef en zijn broeder en wanhoopt niet aan de genade van Allah, want niemand wanhoopt aan Allah's barmhartigheid dan het ongelovige volk." |
|
Ya baniyya ithhaboo fatahassasoo min yoosufa waakheehi wala tay-asoo min rawhi Allahi innahu la yay-asu min rawhi Allahi illa alqawmu alkafiroona
|
| |
| 88. En toen zij (opnieuw) voor hem (Jozef) kwamen, zeiden zij: "O, Aziez, armoede heeft ons en onze familie getroffen en wij hebben een armzalige geldsom meegebracht, geef ons daarvoor de volle maat en wees liefdadig. Voorzeker, Allah beloont de liefdadig |
|
Falamma dakhaloo AAalayhi qaloo ya ayyuha alAAazeezu massana waahlana alddurru waji/na bibidaAAatin muzjatin faawfi lana alkayla watasaddaq AAalayna inna Allaha yajzee almutasaddiqeena
|
| |
| 89. Hij zeide: "Weet gij wat gij Jozef en zijn broeder aandeedt, toen gij onwetend waart?" |
|
Qala hal AAalimtum ma faAAaltum biyoosufa waakheehi ith antum jahiloona
|
| |
| 90. Zij vroegen. "Zijt gij dan Jozef?" Hij zeide: "Ik ben Jozef en dit is mijn broeder. Allah is ons inderdaad genadig geweest. Voorwaar, wie godvrezend en geduldig is - Allah doet het loon der goeden nooit verloren gaan." |
|
Qaloo a-innaka laanta yoosufa qala ana yoosufu wahatha akhee qad manna Allahu AAalayna innahu man yattaqi wayasbir fa-inna Allaha la yudeeAAu ajra almuhsineena
|
| |
| 91. Zij antwoordden: "Bij Allah, waarlijk Allah heeft u boven ons verkozen en wij zijn inderdaad zondaren geweest." |
|
Qaloo taAllahi laqad atharaka Allahu AAalayna wa-in kunna lakhati-eena
|
| |
| 92. Hij (Jozef) zeide: "Heden zij er geen verwijt tegen u: Moge Allah u vergeven, Hij is de Genadigste der genadigen." |
|
Qala la tathreeba AAalaykumu alyawma yaghfiru Allahu lakum wahuwa arhamu alrrahimeena
|
| |
| 93. "Gaat met dit hemd van mij en legt het voor het aangezicht van mijn vader neder; hij zal het begrijpen. En brengt mij uw gehele familie." |
|
Ithhaboo biqameesee hatha faalqoohu AAala wajhi abee ya/ti baseeran wa/toonee bi-ahlikum ajmaAAeena
|
| |
| 94. En toen de karavaan (uit Egypte) vertrok, zeide hun vader: "Ik bemerk voorzeker de geur van Jozef, zelfs al ziet gij mij voor zwakzinnig aan." |
|
Walamma fasalati alAAeeru qala aboohum innee laajidu reeha yoosufa lawla an tufannidooni
|
| |
| 95. Zij antwoordden: "Bij Allah, gij houdt zeker aan uw oude dwaling vast." |
|
Qaloo taAllahi innaka lafee dalalika alqadeemi
|
| |
| 96. En toen de drager van de blijde tijding kwam, legde hij het (hemd) voor hem (Jacob) neder zodat hij zekerheid verkreeg. Dan riep hij uit: "Zei ik u niet: 'Ik weet van Allah wat gij niet weet'?" |
|
Falamma an jaa albasheeru alqahu AAala wajhihi fairtadda baseeran qala alam aqul lakum innee aAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona
|
| |
| 97. Zij antwoordden: "O, onze vader, vraag voor ons vergiffenis voor onze zonden: wij zijn inderdaad zondaren geweest." |
|
Qaloo ya abana istaghfir lanathunoobana inna kunna khati-eena
|
| |
| 98. Hij (Jacob) zeide: "Ik zal mijn Heer om vergiffenis voor u vragen. Voorzeker, Hij ls de Vergevensgezinde, de Genadevolle." |
|
Qala sawfa astaghfiru lakum rabbee innahu huwa alghafooru alrraheemu
|
| |
| 99. En toen zij tot Jozef kwamen, huisvestte hij zijn ouders bij zich en zeide: "Komt zoals het Allah behaagt Egypte in vrede binnen." |
|
Falamma dakhaloo AAala yoosufa awa ilayhi abawayhi waqala odkhuloo misra in shaa Allahu amineena
|
| |
| 100. Hij hief zijn ouders op de troon en zij wierpen zich voor hem neder. En hij zeide: "O mijn vader, dit is de vervulling van mijn vroegere droom. Mijn Heer heeft deze verwezenlijkt. En Hij schonk mij een gunst toen Hij mij uit de gevangenis verloste en |
|
WarafaAAa abawayhi AAala alAAarshi wakharroo lahu sujjadan waqala ya abati hatha ta/weelu ru/yaya min qablu qad jaAAalaha rabbee haqqan waqad ahsana bee ith akhrajanee mina alssijni wajaa bikum mina albadwi min baAAdi an nazagha alshshaytanu baynee wabayna ikhwatee inna rabbee lateefun lima yashao innahu huwa alAAaleemu alhakeemu
|
| |
| 101. "O, mijn Heer, Gij hebt mij macht gegeven en de verklaring van dromen onderwezen. O, Schepper der hemelen en der aarde, Gij zijt mijn Beschermer in deze wereld en in het Hiernamaals. Doe mij sterven als Moslim en verenig mij met de rechtvaardigen." |
|
Rabbi qad ataytanee mina almulki waAAallamtanee min ta/weeli al-ahadeethi fatira alssamawati waal-ardi anta waliyyee fee alddunya waal-akhirati tawaffanee musliman waalhiqnee bialssaliheena
|
| |
| 102. Dit behoort tot de tijdingen van het verborgene die Wij u (o Profeet ) openbaren. Gij waart niet bij hen, toen zij zich (tegen u) verenigden en plannen smeedden. |
|
Thalika min anba-i alghaybi nooheehi ilayka wama kunta ladayhim ith ajmaAAoo amrahum wahum yamkuroona
|
| |
| 103. En de meeste mensen willen niet geloven zelfs al wenst gij het vurig. |
|
Wama aktharu alnnasi walaw harasta bimu/mineena
|
| |
| 104. Gij vraagt er hun geen beloning voor. Het is niets dan een vermaning aan alle werelden. |
|
Wama tas-aluhum AAalayhi min ajrin in huwa illathikrun lilAAalameena
|
| |
| 105. En hoeveel tekenen zijn er niet in de hemelen en op aarde waaraan zij, zich afwendend, voorbijgaan! |
|
Wama arsalna qablaka mina almursaleena illa innahum laya/kuloona alttaAAama wayamshoona fee al-aswaqi wajaAAalna baAAdakum libaAAdin fitnatan atasbiroona wakana rabbuka baseeran
|
| |
| 106. En de meesten hunner geloven niet in Allah, zonder medegoden aan Hem toe te schrijven. |
|
Waqala allatheena la yarjoona liqaana lawla onzila AAalayna almala-ikatu aw nara rabbana laqadi istakbaroo fee anfusihim waAAataw AAutuwwan kabeeran
|
| |
| 107. Voelen zij zich dan nu veilig voor het komen van een overweldigende straf over hen van Allah of voor het onverwacht komen van het Uur over hen, terwijl zij het niet bemerken? |
|
Yawma yarawna almala-ikata la bushra yawma-ithin lilmujrimeena wayaqooloona hijran mahjooran
|
| |
| 108. Zeg: "Dit is mijn weg: ik roep tot Allah in zeker weten, ik en mijn volgelingen. Heilig is Allah en ik behoor niet tot de afgodendienaren." |
|
Waqadimna ila ma AAamiloo min AAamalin fajaAAalnahu habaan manthooran
|
| |
| 109. En Wij zonden v??r u slechts mensen uit de inwoners der steden, die Wij inspireerden. Hebben zij dan niet op aarde gereisd en gezien wat het einde was dergenen die v??r hen waren? En het tehuis van het Hiernamaals is voorzeker beter voor degenen, die |
|
As-habu aljannati yawma-ithin khayrun mustaqarran waahsanu maqeelan
|
| |
| 110. Totdat, wanneer de boodschappers wanhoopten en zij dachten dat zij voor leugenaars verden gehouden, Onze hulp tot hen kwam en dan werd gered, wie Ons behaagde. En Onze kastijding wordt van een zondig volk niet afgewend. |
|
Wayawma tashaqqaqu alssamao bialghamami wanuzzila almala-ikatu tanzeelan
|
| |
| 111. Er is in hun verhaal gewis een les voor mensen van begrip. Het is niet iets, dat is verzonnen, doch een vervulling van hetgeen er v??r is en een uiteenzetting van alle dingen en een leiding en een barmhartigheid voor een volk, dat gelooft. |
|
Almulku yawma-ithin alhaqqu lilrrahmani wakana yawman AAala alkafireena AAaseeran
|
| |